Argumentatie


Dit is een site over juridische beroepsethiek en de waarde(n)volle professionaliteit van juristen, incl. de daarbij behorende morele dilemma's. Het doel is om inzicht te geven in en te reflecteren op de beschrijvende en voorschrijvende ethiek en het kritisch vermogen van advocaten, rechters, officieren van justitie, wetgevingsjuristen, arbeidsjuristen, bedrijfsjuristen, etc. (meer lezen »)

Van Mourik en de personenvennootschap. Heb je net een boek geschreven...

Prof. mr. Van Mourik van het Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen is zacht gezegd geïrriteerd (“Ik ben niet boos, maar razend”) over het intrekken van het nieuwe recht betreffende de personenvennootschappen (titel 7.13 BW) door minister Opstelten. Deze nieuwe wetgeving had een einde moeten maken aan de maatschap, de VoF en de commanditaire vennootschap door deze om te zetten in ‘openbare vennootschappen'. Omdat de primaire doelstelling met de regeling echter niet gehaald leek te worden - het helpen van ondernemers - zag Opstelten geen reden meer om de regeling in te voeren. Dit terwijl de regeling al jaren boven de markt hing (wetsvoorstel ingediend in 2002, eerste invoerdatum 1 januari 2008).

Uiteindelijk geeft Opstelten meerdere redenen aan om het wetsvoorstel in te trekken waarvan een aantal redenen dicht bij elkaar liggen. In de kamerbrief lezen we dat:
1) de regeling is te knellend voor bestaande maatschappen en vennootschappen onder firma (en dat)
2) de regeling leidt tot onnodige kosten
3) de regeling is niet helder
4) de regeling is niet bruikbaar
5) de regeling heeft geen nut en noodzaak
6) de regeling heeft weinig steun gekregen van de beoogde gebruikers (ondernemers MKB)
Nu is niet iedereen het met de ideeën van de minister eens. VNO/NCW en MKB Nederland mogen dan wel meerdere keren hebben aangegeven dat zij geen behoefte hebben aan de regeling maar dit zou - zo is de redenering - niet doorslaggevend moeten zijn. Er zijn juist goede redenen om het wetsvoorstel wel in te voeren. De redenen om het wetsvoorstel in te trekken, zijn daarnaast niet juist.

Op Mr. Online lezen we de reactie van professor Van Mourik. Ook hij deelt het standpunt van de minister niet. Zijn belangrijkste argumenten zo lezen we op de site:

1 Het intrekken gaat tegen de democratie in
1.1 (want) de Tweede Kamer was akkoord
2 Het intrekken van de regeling gaat tegen de rechtsorde in
3 Het intrekken van de regeling gaat tegen de rechtspraktijk in
4 De minister heeft geen flauw benul waar het over gaat
5 De minister laat zich manipuleren door spookbeelden die leven binnen het MKB Nederland en VNO/NCW
6 Het intrekken van de regeling miskent alles wat reeds gedaan is t.a.v. de regeling
- cursussen, studiedagen, congressen
- wetenschappelijke bijdragen
- voorbereiding in het notariaat
7 Er is wel behoefte
7.1 (want) de bestaande wetgeving is gedateerd (1838)
8 De kritiek kwam met name uit de Eerste Kamer en dat moeten we niet serieus nemen,
8.1 (want) het voorstel wordt wel in theorie en praktijk breed gesteund
8.2 (want) de Eerste Kamer heeft zich laten dicteren door grotendeels achterhaalde en onzinnige vragen
8.3 (want) deze 'chambre de réflection' is niet meer dan een Haags rusthuis voor veelal bejaarde dames en heren die voor trouwe partijdienst beloond moesten worden
8.4 (want) de Eerste Kamer dient zich op wetgevingsterrein gedeisd te houden
8.4.1a (want) alleen als het wetvoorstel een onvoorstelbare juridische rommelboel is en de rechtsorde in gevaar breng kan tot verwerping worden overgegaan.
8.4.1b (en) dit zou in dit geval redelijkerwijs niet zijn geschied.
8.5 (want) kamerleden weten eigenlijk helemaal niets.
8.5.1 (want) het zijn een stelletje zeurende sufkoppen die zich alleen maar laten leiden door allerlei mensen en instanties die hen beïnvloeden.
9. Het argument dat politiek-bedrijven ook kan betekenen dat een wetsvoorstel wordt ingetrokken, gaat niet op.
9.1 (want) dit zeggen alleen uitgeleefde slaven op berustende toon

Een aantal van deze argumenten kunnen we afschieten terwijl andere argumenten om toelichting vragen. Gelukkig gaat Van Mourik nog hierover schrijven in het Tijdschrift van Agrarisch Recht. Een korte analyse:
1) het eerste argument lijkt inconsistent te zijn met argument 8.5. Het is vreemd om vast te stellen dat het intrekken tegen de democratie ingaat (omdat de Tweede Kamer akkoord was) om later te stellen dat we kamerleden sowieso niet serieus moeten nemen. Ergens wringt het hier.
2&3) het tweede en het derde argument vragen om meer toelichting. Waarom gaat het tegen de rechtsorde en rechtspraktijk in? Tegen de rechtsorde omdat de Tweede Kamer akkoord was? In dat geval zou het een herhaling van argument één zijn. En tegen de rechtspraktijk omdat al veel georganiseerd en geschreven is over het onderwerp? Zie in dat geval argument 6.
4&5&9) een aantal persoonlijke aanvallen kunnen we wegstrepen. Dat de minister geen flauw benul heeft waarover hij het het heeft (4) en gemanipuleerd is (5) zijn weinig inhoudelijk van aard. Het zijn mooie ad-hominems-drogredenen. Ook voor argument 9 - de uitgeleefde slaven - gaat dit op.
6) dat al veel georganiseerd is (argument 6), wil natuurlijk nog niet zeggen dat je daarom maar het wetsvoorstel niet moet intrekken. Het miskent mogelijk te snel de veronderstelling (en spreekwoord) "beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald". Wel zou het interessant zijn om te lezen wat precies de wetenschappelijke inzichten waren t.a.v. het wetsvoorstel. Dit had het argument sterker gemaakt.
7) dat de huidige regeling uit 1838 komt (argument 7), hoeft op zich nog niet aan te tonen dat er wel behoefte is. Er zijn meer regelingen die "oud" zijn en die we toch blijven omarmen. Ligt het niet voor hand - zoals de minister doet - om de behoefte te baseren op de doelgroepen die het aangaat? Of moeten we constateren dat de doelgroep (ondernemers) niet haar eigen behoefte kan overzien? Van Mourik drukt dit niet direct uit.
8) de verwijzing naar de Eerste Kamer lijkt een argument te zijn dat voor het primaire standpunt niet ter zake doet (een mooie ignoratio elenchi). De minister trekt het voorstel immers niet in omdat de Eerste Kamer bezwaren heeft. De minister neemt enkel enige bezwaren van de Eerste Kamer over (over helderheid, duidelijkheid). Nog wel een interessant punt is argument 8.5.1 dat stelt dat de Eerste Kamerleden zich te makkelijk laten beïnvloeden. Hierachter gaat de lobby-discussie schuil. Moeten we lobbyen nu positief waarderen of niet, zo is de vraag. Enerzijds lijkt de uitkomst van besluitvorming inderdaad te worden gestuurd door lobbyisten (niet democratisch). Anderzijds wordt gesteld dat lobbyen de kwaliteit van besluitvorming verhoogt. Een kamerlid (door)ziet immers informatie die het anders niet zou krijgen. Indien een kamerlid van meerdere, tegenovergestelde partijen informatie krijgt, hoeft invloed van lobbyisten - in dit geval VNO/NCW en MKB Nederland - nog niet slecht te zijn, zo is de redenering.

We moeten constateren dat veel argumenten van Van Mourik om toelichting vragen. Anderzijds zou het onjuist zijn - zoals ook wordt gedaan - om de kritiek van Van Mourik af te doen met: "heb je net een boek geschreven over de personenvernnootschappen; wordt het voorstel ingetrokken.". Welke denkfout wordt dan gemaakt? We wachten het artikel van Van Mourik af.

Kamerbrief: Wetsvoorstel Invoeringswet titel 7.13 Burgerlijk Wetboek (31 065), Rijksoverheid, 07-09-2011
Van Mourik: Opstelten is ‘wetgevingsterrorist’, Mr. Onlne, 12-09-2011
M.J.A. van Mourik - De personenvennootschap (5e druk), Bol.com
 

Deel deze pagina...