Argumentatie


Dit is een site over juridische beroepsethiek en de waarde(n)volle professionaliteit van juristen, incl. de daarbij behorende morele dilemma's. Het doel is om inzicht te geven in en te reflecteren op de beschrijvende en voorschrijvende ethiek en het kritisch vermogen van advocaten, rechters, officieren van justitie, wetgevingsjuristen, arbeidsjuristen, bedrijfsjuristen, etc. (meer lezen »)

Kaptein: ons gebrekkig oordeelsvermogen (DSB)

Helaas maken we soms geen goede oordelen. Dit geldt trouwens niet enkel voor de morele oordelen die we maken. Ook de financiële oordelen als bijvoorbeeld de juridische oordelen die we maken kunnen niet goed zijn. Juristen zijn helaas hier niet van uitgezonderd: ook zij kunnen een slecht oordeel vellen. Bijvoorbeeld indien iemand door een tekort aan juridische kennis tot een verkeerde conclusie komt (een simpel voorbeeld: iemand stelt dat sprake is van wanprestatie terwijl eigenlijk sprake is van onrechtmatige daad). De vraag is echter wat onder een niet goed oordeel kan worden verstaan.

Het niet juiste oordeel vs het niet goede oordeel 
Om te kunnen begrijpen wat onder een niet goed oordeel kan worden verstaan, is het waardevol om een verschil te maken tussen niet juist oordelen en niet goed oordelen. Om vast te stellen of iemand of jij goed oordeelt, kijk je naar het proces van oordelen. Je kunt spreken van een goed proces indien iemand zelfstandig op basis van volledige informatie (helder, aanvaardbaar, relevant en toereikend), bij volle verstand - dus niet gehinderd door enige cognitieve valkuil zoals bijvoorbeeld het toegeven aan groepsdruk - en zonder drogredenen tot een oordeel komt. Wat uiteindelijk het oordeel is, doet verder niet ter zake. Van een juist oordeel is daarentegen sprake als het oordeel ook juist is, met andere woorden wanneer het moreel, juridisch of bijvoorbeeld financieel juist (natuurlijk afhankelijk van het soort oordeel). Je kijkt dan ook naar de inhoud van het oordeel. Het oordeel is juist indien de uitkomst is zoals het moet zijn [1].

De meerwaarde van deze tweedeling is dat het je laat inzien dat je om twee redenen het met iemand niet eens kunt zijn. Dit kan ten eerste voortkomen uit een gebrekkig oordeelsvermogen van de ander. Iemand oordeelt bijvoorbeeld over jou zonder alles te weten. Je kunt dan spreken van een niet goed oordeel. Maar iemand kan ook op basis van een goede afweging, dus op basis van dezelfde, volledige informatie e.d., tot een ander oordeel komen. Het oordeel is dan - in jouw ogen - niet juist. De ander heeft er goed over nagedacht, mag dan goed geïnformeerd zijn, et cetera, maar hij heeft het niet juist: je bent het niet met hem eens.

Niet goed oordelen volgens Kaptein: onvolledig oordelen
Voor een nog beter begrip van de feilbaarheid van het menselijk oordeelsvermogen - in de zin van goed oordelen - is vervolgens de indeling van Kaptein prettig. De indeling die hij gebruikt, laat zich makkelijk vertalen en terugzien in de praktijk. Onze oordelen kunnen volgens Kaptein (2011) [2] om drie redenen onvolledig, en dus niet goed, zijn, namelijk omdat we:
  1. Niet inzien – blind zijn voor – wat er precies speelt in een casus. Om te beginnen is hier sprake van als iemand niet alle ins en outs van een situatie kent maar toch een oordeel velt. Sprake is van een kennistekort. Indien dat het geval is, kun je al niet van een juist oordeel spreken. Hiervan is ook sprake als iemand niet inziet dat hij niet deugdelijk argumenteert. Daarnaast kan meer in het bijzonder vergeten worden dat iedere handelingssituatie ook een morele kant kent. Iedere keuze die je maakt zegt namelijk ook iets over wat jij goed (samen) leven vindt. Hiervoor kunnen we ook blind zijn. Ten derde kun je spreken van een bepaalde vorm van morele blindheid als je het lastig vindt om in te leven in de situatie van de ander. Pas als je iets zelf ervaart, zul je soms merken dat je oorspronkelijke houding of mening tekortschiet. Zo worden veel mensen pas donor – en ontwikkelen een duidelijke mening hierover – als iemand in zijn of haar omgeving een donororgaan nodig heeft.
  2. Niet durven te uiten wat we (in morele zin) vinden. Veel mensen vinden het lastig om het eigen (morele) oordeel dat ze hebben uit te dragen. Vaak vinden ze het zelfs al lastig om twijfel uit te spreken. Met name in groepen voelen veel mensen zich onzeker en volgen ze de groepsmening. Sprake is dan van een vorm van morele stomheid. Met name bij aanwijsbaar immoreel handelen zie je vaak dat mensen in de omgeving dit wel hadden geconstateerd maar niet hier iets van durfden te zeggen. Bang dat ze zijn voor baanverlies of gezichtsverlies of...
  3. Niet willen horen wat anderen zeggen (doofheid). Onderzoek laat zien dat mensen het lastig vinden om hun oordeel bij te stellen zelf als anderen met goede, afwijkende argumenten komen. Ze staan niet op een juiste manier open voor de ander. Met name in een hiërarchische context – neem een ervaren advocaat die de mening van een beginnend juridisch medewerker aanhoort – zie je dat mensen geneigd zijn om zich af te sluiten voor kritiek. Hoe juist ook. Andersom kan trouwens ook: dat mensen juist te makkelijk luisteren naar wat anderen zeggen.
Een specifieke vorm van gebrekkig oordeelsvermogen is als iemand rationaliseert. Hier zal ik later meer over schrijven. Binnen het recht kan deze menselijke neiging namelijk tot zeer vervelende uitkomsten leiden.



[1] Of dat ooit mogelijk is, wordt door sommige filosofen bestreden. Een ander vraagstuk is of een oordeel ooit goed gemaakt kan zijn terwijl de uitkomst niet de juiste zou zijn. Ruim 2000 jaar geleden betoogde Socrates reeds - zoals beschreven door Plato - dat dit niet mogelijk is.
[2] Deze indeling in (morele) doofheid, stomheid en blindheid is afkomstig van Kaptein, M., Waarom goede mensen soms de verkeerde dingen doen - 52 bespiegelingen over ethiek op het werk, Business Contact (2011). Wel is de definitie van blindheid bij Kaptein beperkter, namelijk enkel gericht op het niet inzien dat er iets moreels op het spel staat. Een verkorte, Engelstalige versie is vrij te downloaden.
 

Deel deze pagina...